De geschiedenis van de euro, van de ecu tot de portemonnee

Op 1 januari 2002 betaalden de Belgen voor het eerst met euromunten en eurobiljetten. Voor het publiek leek het een overgang van één dag. In werkelijkheid was het het eindpunt van een traject van meer dan dertig jaar, met mislukte plannen, valutacrisissen en lange onderhandelingen. Een overzicht.
De eerste plannen: het Werner-plan
Al in 1970 stelde een werkgroep onder leiding van de Luxemburgse premier Pierre Werner voor om in drie fasen naar een economische en monetaire unie te gaan. Het plan haalde het niet: het einde van het systeem van vaste wisselkoersen van Bretton Woods en de oliecrisis van de jaren zeventig zetten de Europese munten zwaar onder druk.
Wat overbleef, was de wil om de wisselkoersen tussen de Europese munten zo stabiel mogelijk te houden. De eerste poging daartoe, de zogenaamde „slang”, liet de munten binnen smalle marges ten opzichte van elkaar schommelen.
Het Europees Monetair Stelsel en de ecu
In 1979 kwam het Europees Monetair Stelsel (EMS) tot stand. De kern ervan was een wisselkoersmechanisme dat de munten van de deelnemende landen aan elkaar koppelde, en een nieuwe rekeneenheid: de ecu (European Currency Unit). De ecu was een korf van Europese munten, gewogen volgens het economische gewicht van elk land.
De ecu bestond niet als munt in de portemonnee. Ze werd gebruikt in de boekhouding van de Gemeenschap, in obligaties en in sommige bankrekeningen. Er werden wel ecu-munten en -penningen geslagen, onder meer in België, maar dat waren herdenkings- en verzamelstukken, geen gewoon betaalmiddel. Voor verzamelaars vormen ze vandaag een apart en betaalbaar thema.
Het Verdrag van Maastricht
De doorbraak kwam met het Verdrag van Maastricht, ondertekend op 7 februari 1992. Het legde vast dat er een gemeenschappelijke munt zou komen, in drie fasen, en welke voorwaarden een land moest vervullen om mee te doen: de convergentiecriteria over inflatie, overheidstekort, schuld, wisselkoers en rente.
De weg erheen was niet vlak. In 1992 en 1993 werd het wisselkoersmechanisme door speculatie zwaar getroffen; het Britse pond en de Italiaanse lire verlieten het systeem. Toch ging het project door.
In 1995 werd in Madrid de naam van de nieuwe munt vastgelegd: euro. In 1998 ging de Europese Centrale Bank in Frankfurt van start.
1999: de euro als girale munt
Op 1 januari 1999 werd de euro de officiële munt van elf landen: België, Duitsland, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Spanje. Griekenland volgde in 2001. De omrekeningskoersen tussen de nationale munten en de euro werden onherroepelijk vastgelegd.
| Munt | 1 euro = |
|---|---|
| Belgische frank | 40,3399 BEF |
| Luxemburgse frank | 40,3399 LUF |
| Nederlandse gulden | 2,20371 NLG |
| Duitse mark | 1,95583 DEM |
| Franse frank | 6,55957 FRF |
Drie jaar lang bestond de euro alleen „giraal”: op bankrekeningen, in de boekhouding en op de financiële markten. In de winkel betaalde men nog met frank en gulden, maar prijzen werden steeds vaker in beide munten vermeld.
2002: munten en biljetten
Op 1 januari 2002 kwamen de munten en biljetten in omloop in twaalf landen. Het was een logistieke operatie zonder voorgaande: miljarden munten en biljetten moesten tijdig in banken, winkels en automaten liggen. Particulieren konden vooraf starterkits kopen, zakjes met een kleine hoeveelheid euromunten om de eerste dagen door te komen.
In België liep de periode van dubbele omloop tot eind februari 2002. Daarna was de frank geen wettig betaalmiddel meer. Biljetten in Belgische frank kunnen nog altijd worden omgeruild bij de Nationale Bank van België; voor de munten in frank is die mogelijkheid inmiddels afgelopen.
Na 2002
Sindsdien is de eurozone gegroeid, van twaalf tot meer dan twintig landen. De eerste reeks biljetten werd vanaf 2013 vervangen door de Europa-reeks (zie eurobiljetten), en de kaart op de Europese zijde van de munten werd in 2007 aangepast aan de uitgebreide Unie. Over de landen die later toetraden, lees je meer bij nieuwe euromunten.
Wat verzamelaars eraan hebben
De geschiedenis van de euro levert verschillende verzamelgebieden op:
- de laatste munten in Belgische frank en de jaarsets van 2001;
- ecu-munten en -penningen uit de jaren tachtig en negentig;
- starterkits van 2002 en van de landen die later toetraden, liefst ongeopend;
- de eerste jaargang euromunten van elk land;
- de herdenkingsmunten van 2 euro, waaronder de gemeenschappelijke uitgiften voor tien jaar euro.
Voor een overzicht van alle nationale ontwerpen, zie alle euromunten.
Dit artikel kan partnerlinks bevatten. Die hebben nooit invloed op wat we schrijven.